werkkatern
p1. Enkele kenmerken van een park kunnen opsommen.
p2. Delen van het park kunnen benoemen. + legende kunnen gebruiken.
p4. Tekstje begrijpen. Weten wat een konijn eet in het park (een voorbeeld kunnen geven).
p5. Tussen 2 dieren de gelijkenissen en de verschillen kunnen opsommen. Ook vb. tussen konijn en ...
Weten wie de koolmees en wie de pimpelmees is.
p6. Onderdelen van de eend herkennen.
p7. Bloemen in het park -> de bloemen herkennen en kunnen benoemen (studeren!) (zie ook bronnenboek p.28)
p8. De delen van de plataan en de tamme kastanje herkennen. (zie ook bronnenboek p 29 en 30) + verschillen en gelijkenissen kunnen opsommen.
p.9 en 10 : de delen van de boom, het konijn, de koolmees en de brasem kunnen aanduiden / benoemen. (zie ook bronnenboek 31,32 en 33)
p11: dieren kunnen vergelijken
p12(niet)
p13: de parkregels kennen en uitleggen waarom ze belangrijk zijn.
p14. Afval juist kunnen sorteren. (zie ook bronnenboek p. 36 en 37)
Nog belangrijk!
- Wat is het verschil tussen een park en een bos? (Bos ontstond vanzelf, park is door de mens aangelegd)